U bevindt zich hier: Spraakkunst Bijwoorden Vnw. bijwoorden  
 BIJWOORDEN
Trappen vergelijking
Vnw. bijwoorden
voegw. bijwoorden
 SPRAAKKUNST
Werkwoorden
Substantief
Adjectief
Voornaamwoorden
Voorzetsels
Bijwoorden
Voegwoorden

VOORNAAMWOORDELIJKE BIJWOORDEN
 

Voornaamwoordelijke bijwoorden worden in het Duits (zoals in het Nederlands) gevormd door:
de bijwoorden "da, hier, wo" en door voorzetsels.

Voorbeeld:
"Der PC steht auf dem Tisch" -> "Der PC steht darauf."



Veel gebruikte voornaamwoordelijke bijwoorden:

"daran, darauf, daraus, dabei, dadurch, dafür, dagegen, dahinter, darin, damit, danach, daneben, darüber, darum, daunter, davon, davor, dazu, dazwischen"

"hieran, hierauf, hieraus, hierbei, hierdurch, hierfür, hiergegen, hierin, hiermit, hiernach, hierunter, hierüber, hiervon, hierzu"

"woran, worauf, woraus, wobei, wodurch, wofür, wogegen, wohinter, worin, wonach, woneben, worüber, worum, worunter, wovon, wovor, wozu, wozwischen"



Opmerkingen:


Verkorte vormen ("dran, drauf, drum...") komen slechts voor in de omgangstaal, niet in de standaardtaal.


Voornaamwoordelijke bijwoorden mogen niet gesplitst worden.
Niet toegestaan: "Da kann ich nichts für"
Wel in orde: "Dafür kann ich nichts."



In het algemeen worden voornaamwoordelijke bijwoorden niet toegepast op personen.
Voorbeelden:
"Ich fahre mit meinem neuen Boot." ->"Damit fahre ich."
"Hat sie sich über den Verlust geärgert?" -> "Hat sie sich darüber geärgert?"
"Fährst du mit deiner Schwester nach Belgien?" -> "Fährst du mit ihr nach Belgien?"
(persoon!)
"Ich kann mich auf meinen Freund verlassen." -> "Ich kann mich auf ihn verlassen." (persoon!)

Op bovenstaande regel wordt wel uitzondering gemaakt voor "darunter" en "davon".
Voorbeelden:
"Ich musterte die Ankommenden und entdeckte darunter meine Freundin."
"Sie hatte vier Söhne, aber nur einer davon ist noch am Leben."




Het is niet toegestaan om een voornaamwoordelijk bijwoord te gebruiken om een relatieve zin ermee aan te kondigen.
Voorbeeld:
Niet toegestaan: "Du darst darüber, was ich dir anvertraut habe, nicht sprechen."
Wel in orde: "Du darst über das, was ich dir anvertraut habe, nicht sprechen."




"Was" heeft als vragend voornaamwoord geen datiefvormen. In de plaats ervan gebruikt men in de gesproken taal de accusatiefvorm en in de geschreven taal een voornaamwoordelijk bijwoord ("wozu, womit, woran...").

Voorbeelden uit de gesproken taal:

"Zu was soll das gut sein?"
"An was fehlt es dir?"

Voorbeelden uit de geschreven taal:

"Wozu soll das gut sein?"
"Woran fehlt es dir?"



 

Alle gegevens baseren zich op uitgaven van Duden en Bertelsmann. Verantwoordelijkheid voor layout: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).