U bevindt zich hier: Spraakkunst Voegwoorden Nevenschikkend  
 VOEGWOORDEN
Onderschikkend
Nevenschikkend
 SPRAAKKUNST
Werkwoorden
Substantief
Adjectief
Voornaamwoorden
Voorzetsels
Bijwoorden
Voegwoorden

NEVENSCHIKKENDE VOEGWOORDEN TUSSEN ZINNEN
 

Nevenschikkende voegwoorden kunnen zowel woorden, zinsdelen als zinnen gelijkgesteld aan elkaar verbinden.
Gaat het om twee zinnen, dan spreekt men over de hoofdzin en de gelijkgestelde zin.
Nevenschikkende voegwoorden hebben geen enkele invloed op de plaats van de zinsdelen in de gelijkgestelde zin, dat in tegenstelling tot onderschikkende voegwoorden.


Voorbeeld van het nevenschikkende voegwoord "denn":

Twee losse hoofdzinnen:
"Mein PC steht unterm Tisch. Er nimmt zuviel Platz ein."

-> (met voegwoord):
"Mein PC steht unterm Tisch, denn er nimmt zuviel Platz ein."



Merkwaardig is het verschijnsel van voegwoordelijke bijwoorden die zich als nevenschikkende voegwoorden kunnen gedragen, maar daarbij WEL invloed hebben op de plaats van zinsdelen in de gelijkgestelde zin.


Veel gebruikte nevenschikkende voegwoorden:

Voegwoord Voorbeeld
und Mein PC ist eingeschaltet und mein Drucker steht zur Verfügung.
doch Sie geht, doch ich bleibe zuerst.
denn Wir bleiben zu Hause, denn es regnet.
aber Du kannst schon abfahren, aber du kannst auch nog eine Weile bleiben.
oder Nun bin ich mal gespannt: werden wir gewinnen oder (werden) sie (gewinnen)?
negatiezin... sondern  Nicht das Wetter war trüb, sondern seine Seele (war trüb).
nicht nur... sondern Nicht nur Radsportler sind manchmal Dopingbetrüger, sonder Leistungsportler im Allgemeinen sind manchmal Dopingbetrüger
entweder... oder Entweder du benimmst dich, oder du gehst sofort.
zwar... aber Zwar tut sich was, aber wir merken nichts davon.



Opmerking

Uitzonderlijk kan een zuiver nevenschikkend voegwoord zich als een voegwoordelijk bijwoord gedragen. In het eerste geval (voegwoord) staat het onderwerp voor het werkwoord; in het laatste geval (voegwoordelijk bijwoord) staat het onderwerp na het werkwoord. Dit is mogelijk met de voegwoorden "doch", "jedoch" en "entweder... oder")


Voorbeelden:

Als zuiver voegwoord:

"Sie geht, doch sie kommt bestimmt wieder."
"Die Sonne schien, jedoch es war kalt."
"Entweder wir leben in Frieden, oder wir erleben Krieg."

Als voegwoordelijk bijwoord:

"Sie geht, doch kommt sie bestimmt wieder."
"Die Sonne schien, jedoch war es kalt."
"Entweder leben wir in Frieden, oder wir erleben Krieg."




 

Alle gegevens baseren zich op uitgaven van Duden en Bertelsmann. Verantwoordelijkheid voor layout: Sebastian Norbert Hope, Niedersachsen, Deutschland (zie contact).